Jean Leering en Paul Cézanne
Al vanaf de jaren vijftig van de vorige eeuw was museumdirecteur en hoogleraar beeldende kunst en architectuur Jean Leering (1934-2005) geboeid door het werk van de negentiende-eeuwse Franse schilder Paul Cézanne (1839-1906), die te boek staat als een groot vernieuwer van de moderne schilderkunst.
Hij liet zich inspireren door de manier van waarnemen en schilderen van Cézanne. Anders dan de gebruikelijke begripsmatige benadering van het oeuvre van Cézanne, hanteerde Leering een visuele aanpak die de kijker dichter bij de manier van kijken en schilderen van Cézanne brengt. Leering maakte foto’s die een parallelle weergave zijn van het werk van Cézanne. Aan de hand van verschillende thema’s (o.a. het stilleven, de bomen, de berg Sainte Victoire) en landschapselementen wordt een verbinding gelegd tussen de (natuurlijke) omgeving en het werk van Cézanne. Het ging Leering daarbij in de eerste plaats om het kijken en het vergelijken. De foto’s werden vervolgens vergeleken met reproducties van werken van Cézanne die ongeveer een eeuw eerder waren geschilderd. In deze vergelijking ligt het accent op de structurele elementen van de compositie. Het gaat erom inzicht te verkrijgen in de motieven die Cézanne tot zijn landschappen inspireerden.
Jean Leering en Jan van Toorn
Uit deze bewondering ontstond een boek waaraan tot kort voor het overlijden van Jean Leering in 2005 intensief samen is gewerkt met de ontwerper, vriend en geestverwant Jan van Toorn. De visuele studie werd omgezet intensief kijkboek, dat een in de Nederlandse kunstgeschiedenis bijzondere positie inneemt . De bedoeling van beide auteurs is niet alleen om een meer zintuiglijke benadering van de beeldende kunst te demonstreren, maar ook om een breder publiek te bereiken dan alleen de kenners van en geïnteresseerden in het werk van Cézanne. Na het overlijden van Jean Leering heeft zijn vrouw Wies van Moorsel dit bijzondere project samen met Jan van Toorn voltooid.
(uitnodigingskaarten Jan van Toorn voor het Van Abbemuseum)
Naast een visuele presentatie van het boek, toont de tentoonstelling voorbeelden van de museale samenwerking tussen Jean Leering en Jan van Toorn, in het bijzonder tijdens de periode van 1964 tot 1973 toen Leering directeur was van het Van Abbemuseum en Jan van Toorn als grafisch ontwerper aan het museum was verbonden. Voor beiden was de relatie tussen kunst en werkelijkheid van groot belang. In een interview in oktober 1968 formuleerde Leering het als volgt: ‘Ik kies voor die kunstenaars die naar mijn gevoel de grootst mogelijke aanleiding geven door wat zij kunnen laten zien aan werk, om dat creatieve zicht op de werkelijkheid te stimuleren en tot ontplooiing te brengen’.
Door een sterke combinatie van fotografie en typografie ontwierp Van Toorn in het oog springende affiches, catalogi en uitnodigingen waaruit vaak een geladen functionaliteit en een maatschappelijk engagement sprak. Zijn rol reikte echter verder: Leering vond in hem een ideale gesprekspartner voor een in het oog springende museale informatieverstrekking. De bezoeker zou immers aan de hand van de tentoonstellingen moeten worden geactiveerd.
(Affiches Jan van Toorn voor het Van Abbemuseum)
Boekpresentatie: 24-05-2009
Tijd: 15.00 uur
Lokatie: Bibliotheek
J. Leering, J. Van Toorn, Fotograferen met Cézanne. Landschappelijke elementen als motief. Formaat 20 x 26, 192 pp. (ill. kleur), € 27,50. Uitgeverij Thoth, 2009. Ontwerp Jan van Toorn.















Vanaf midden jaren vijftig werkten Slothouber en Graatsma bij de Staatsmijnen (DSM). Daar ontwierpen zij verpakkingen, advertenties en tentoonstellingen en bepaalden daarmee het corporate image van DSM. Daarnaast experimenteerden ze met kubische constructies en ontwikkelden het verder uit voor toepassingen in de tentoonstellingsbouw. Een voorbeeld van hun werk is onder anderen hun inzending op de Wereldtentoonstelling in 1958 in Brussel. Zij werden in 1965 door de beeldende kunst omarmd door de belangstelling die ontstond voor seriële en conceptuele kunst en de minimal art. De vernieuwende manier van tentoonstellingsontwerp leverde een tentoonstelling in het Stedelijk Museum in Amsterdam op. Onder de titel "vier kanten: maat, vorm,kleur, letter " werden vorm-, maatgeving, kleur- en letterexperimenten rond de kubus getoond.
(Zaaloverzicht Biënnale Venetië, 1970, Courtesy VIVID Rotterdam)
(Courtesy VIVID, Rotterdam) 
Zijn opvolger Jean Leering (1964-1973) richtte zich in zijn tentoonstellings- en aankoopbeleid op de Amerikaanse kunst. Hij organiseerde tentoonstellingen van onder anderen Robert Morris, Donald Judd, Andy Warhol, Ad Reinhardt en Bruce Nauman en legde de basis voor de verzameling minimal art in Nederland. Zijn invloed op documenta 4 (1968), waar hij tot het organisatiecomité behoorde, zorgde ervoor dat deze waarschijnlijk de meest Amerikaanse werd uit de geschiedenis.
Rudi Fuchs (1975-1987) deelde met Leering de liefde voor de minimal art en maakte een reeks tentoonstellingen met Amerikaanse conceptuele kunstenaars. Nadrukkelijk stelde hij zichzelf echter ook de opdracht om niet alleen aandacht te besteden aan die dominante ‘internationale stijl’, maar ook te putten uit andere, en minder vertrouwde bronnen die hij in Midden- en Zuid-Europa vond. Het Van Abbemuseum werd zo een ‘arena’, waarin haaks op elkaar staande kunstopvattingen met elkaar werden geconfronteerd.
Ook Jan Debbaut (1988-2003) richtte zich aanvankelijk op de Europese kunst, mede door een verminderd kwalitatief Amerikaans aanbod. Vanaf de jaren negentig verschoof de aandacht naar kunstenaars die veelal procesmatig of audiovisueel werk maakten, met tentoonstellingen en aankopen van West-Coast kunstenaars als Ann Hamilton, Mike Kelley, Jason Rhoades en Paul McCarthy. Meer dan Fuchs realiseerde Debbaut ook retrospectieve aankopen, met werk van onder anderen Bruce Nauman en John Baldessari.
Met het aantreden van Charles Esche (2004-) is de aandacht verschoven naar het museum als platform voor een breed spectrum aan artistieke activiteiten uit alle windstreken, met politieke, economische en sociale connotaties. Dat maakt het mogelijk om die aspecten ook bij de oudere Amerikaanse kunst te heroverwegen. De eertijds hiërarchische opdeling tussen globale en lokale ontwikkelingen zijn in die visie opgeheven; met het project Heartland wordt opnieuw de kunst uit de Verenigde Staten onderzoeksgebied. 
Y.O.W.I.
Ivo van Leeuwen
S. Lloyd Trumpstein
