dinsdag, november 03, 2009

BIBLIOTHEEKTENTOONSTELLING JCJ VANDERHEYDEN

JCJ Vanderheyden (10-09-2009 t/m 29-01-2010)

Opening : Zondag 08 november 15:00

De kunstenaar JCJ Vanderheyden onderzoekt in zijn werk de basisprincipes van het schilderen, maar tegelijk ook de wijze waarop we waarnemen. Hij schildert en experimenteert met een scala aan media waaronder fotografie, grafische druktechnieken en video.
In zijn onderzoek naar de waarneming bouwde JCJ Vanderheyden in de loop der tijd een waardevol archief op dat bestaat uit schetsen, geschriften, foto’s, maquettes en inspiratiebronnen. Voor de tentoonstelling in de bibliotheek maakte hij een keuze uit dit unieke en nooit vertoonde materiaal.

(foto : Atelier JCJ Vanderheyden ; foto : Louis Baltussen)

Zijn werk is vanaf 1957 in het museum te zien geweest in diverse groeps- en solotentoonstellingen. In 1971 zijn de eerste werken voor de collectie aangekocht. Ter gelegenheid van de opening van het nieuwe museumgebouw in januari 2003 schonk Vanderheyden het museum als aanvulling hierop een schilderij, een fotowerk en een serie zeefdrukken. Het toeval wil dat het museum in diezelfde tijd een schenking ontving van Jean Leering en Wies van Moorsel. Leering was van 1964 tot 1973 directeur van het Van Abbemuseum. Onderdeel van deze schenking was eveneens een schilderij van Vanderheyden. Aanleiding om Vanderheyden uit te nodigen een zaal in te richten met zijn werken in de collectie, aangevuld met deze schenkingen.

(foto: Louis Baltussen)

Vanderheyden onderzoekt in zijn werk de basisprincipes van het schilderen, maar tegelijk ook de wijze waarop we waarnemen. Hij schildert, experimenteert met fotografie, grafische druktechnieken en video, een medium dat de werkelijkheid op een eigen, karakteristieke manier ‘reproduceert’. Aanvankelijk reproduceert Vanderheyden vooral zijn eigen werk, later gebruikt hij ook het werk van anderen zoals Jeroen Bosch, Pieter Breughel of Velázquez. In de jaren tachtig bouwt Vanderheyden cabines, kleine ruimtes waarin hij werken al dan niet verkleind of gefragmenteerd tentoonstelt. Door het combineren van beelden uit heden en verleden zoekt Vanderheyden naar betekenisvolle verbanden dwars door ruimte en tijd. Een tentoonstelling van Vanderheyden wordt zo tot een tijdloos nu in een eindeloze ruimte waarin het kijken centraal staat.

In de weekenden gesloten

maandag, augustus 10, 2009

BIBLIOTHEEKTENTOONSTELLING : TOINE HORVERS

Toine Horvers: geschreven boeken (08-09-2009 t/m 16-10-2009)

Opening : Zondag 06 september 2009.

Sinds 1979 realiseert Toine Horvers (Loon op Zand 1947) performances die hij omschrijft als ‘vertoningen’, met beweging in ruimte en tijd als onderwerp. Strikte begrenzingen liggen aan deze bewegingssculpturen ten grondslag. Veel van deze ‘vertoningen’ werden vastgelegd door de fotograaf Henk Geraedts. In de jaren tachtig stelden zij foto-leporello’s samen waarin door middel van deze foto’s als het ware het verloop van de ‘vertoning’ werd ‘beschreven’.

In het werk van Horvers dient een strak geformuleerd concept met een beperkte bewegingsvrijheid als uitgangspunt om een beeldend experiment aan te gaan. “Ik vind het een genot om te werken binnen een systeem dat ik zelf bedacht heb (het concept) een systeem waarin ik altijd verder kan, waarin het werk soms 'saai' is en daardoor op andere momenten weer heel opwindend.” Waar aanvankelijk nog een exactheid in planning een rijkdom aan emoties opriep, is deze strengheid in de loop der tijd geleidelijk vervangen door een intuïtief uitgangspunt dat gebaseerd is op associaties en waarneming.

Naast zijn ‘vertoningen’ vervaardigde Horvers tekeningen waarin het performatieve vrijwel altijd een rol speelt. Zo ontstonden in de jaren negentig zijn getrommelde tekeningen –
gemaakt door te roffelen met trommelstokken op carbonpapier - en zijn geschreven wolken, vervaardigt door het over elkaar schrijven van geschiedenisteksten of geografische namen. Het handschrift is in de tekeningen een constante factor. Soms zijn het teksten, een andere keer betreft het een opeenvolging van woorden of zijn het genoteerde resultaten van een fysieke handeling. Tekening voor tekening, laag over laag bouwt hij met potlood clair-obscurachtige vlekken die bij nader inzien een beschrijving van de werkelijkheid zijn. Soms nemen die vlekken de vorm aan van portretten zoals in de licht-zelfportretten. Deze ontstaan volgens een vooropgezette procedure. Terwijl de kunstenaar voor een spiegel heeft plaatsgenomen benoemt hij hardop het licht dat op zijn gelaat wordt gereflecteerd. Hij voerde deze actie uit in twaalf verschillende stadia van lichtintensiteit. Vervolgens noteerde hij deze gegevens met potlood op een semi-transparant vel papier waaronder een fotografisch zelfportret ligt.
Naar aanleiding van een verblijf op het Ierse eiland Inis Oírr ontstonden zijn panoramabe- schrijvingen. Terwijl hij verbaal een letterlijke beschrijving geeft van het landschap dat zich voor hem uitstrekt, beschrijft hij in een later stadium vanuit zijn herinnering, met potlood op een semi-transparant vel papier, de indrukken van die waarneming in 12 segmenten. Ondersteuning bij deze beschrijving is een summiere schets van het landschap. “Ik maak tekeningen door met potlood elementen uit de werkelijkheid te benoemen of te beschrijven, in (tijd-ruimte) lagen over elkaar heen waardoor een - vaak wolkige - vlek ontstaat. Die elementen waren aanvankelijk bestaande informatieve gegevens zoals in anatomische en geografische kaarten. Recentelijk beschrijf ik die elementen ook in mijn eigen bewoordingen: `Voorbijgangers`, mensen in mijn straat, wolken boven de horizon, golven op de rotsen.”

Sinds enkele jaren brengt Toine Horvers series van deze tekeningen samen in boeken. Zo’n boek kan de functie hebben van een verzameling, zoals bij de serie licht-zelfportretten. In de panoramabeschrijvingen van Inis Oírr, is het boek de verbeelding van een observatie. Soms is het boek als object van tijd en ruimte het uitgangspunt, zoals in de meest recente series met Latijnse benamingen uit anatomische atlassen, waarin het menselijk lichaam op systematische wijze wordt ontleed in segmenten van een tot twee centimeter. “Bij het noteren van de anatomische secties met Latijnse namen moet ik me bezig houden met de betekenis van de woorden. De woorden duiden vaak een ruimte of een ruimtelijke vorm of object aan. Bijvoorbeeld: septum is tussenschot, fissura betekent spleet en foramen gat. Door de benamingen te schrijven ben ik voortdurend met ruimte bezig, en tracht ik me voor te stellen hoe die ruimte of dat object aanwezig is om de benaming op de juiste plaats en in de juiste richting te kunnen schrijven.”


Voor deze tentoonstelling koos Horvers een presentatievorm voor zijn boeken die niet vaak wordt toegepast in een museale context. Hij besloot de vitrines leeg te laten en het publiek de mogelijkheid te bieden de boeken aan te raken. Daarmee legt hij gewild of ongewild de vinger op een zere plek. In de museale omgeving wordt het kunstenaarsboek, met het oog op eisen aan behoud en beheer, bij voorkeur gepresenteerd achter glas, in een koude omgeving en met zo min mogelijk licht. Maar de essentie van boeken, en zeker die van Toine Horvers, is dat ze ‘gelezen’ moeten worden. Door te bladeren wordt het concept, de sequentie of de narrativiteit duidelijk, samen met eventuele materiële veranderingen in de samenstelling. Juist door het boek ter hand te nemen ontstaat de gewenste intimiteit tussen lezer en maker. Pas dan kan de lezer Horvers’ ritueel van het benoemen en beschrijven ondergaan.
Horvers; “Het nóg maar weer eens zeggen dat het er is, als een teken van leven, of een vorm van overleven. De vorm die ik daarvoor hanteer is me te compromitteren aan mijn onderwerp, me er volledig aan over te geven volgens strenge regels en een streng in ruimte en tijd afgebakende procedure (bijna non - intellectueel). Het is voor mij de enige manier om me echt op iets te concentreren.”

Sinds enkele jaren brengt Toine Horvers series van deze ‘tekeningen’ samen in boeken. De expositie toont ook foto-leporello's die Toine Horvers in de 80-er jaren samen met fotograaf Henk Geraedts maakte als visualisering van performances.

vrijdag, juli 17, 2009

BIBLIOTHEEKTENTOONSTELLING : JEAN LEERING - JAN VAN TOORN

Fotograferen met Cézanne : Landschappelijke elementen als motief (26-05-2009 t/m 31-07-2009)

Jean Leering en Paul Cézanne

Al vanaf de jaren vijftig van de vorige eeuw was museumdirecteur en hoogleraar beeldende kunst en architectuur Jean Leering (1934-2005) geboeid door het werk van de negentiende-eeuwse Franse schilder Paul Cézanne (1839-1906), die te boek staat als een groot vernieuwer van de moderne schilderkunst.
Hij liet zich inspireren door de manier van waarnemen en schilderen van Cézanne. Anders dan de gebruikelijke begripsmatige benadering van het oeuvre van Cézanne, hanteerde Leering een visuele aanpak die de kijker dichter bij de manier van kijken en schilderen van Cézanne brengt. Leering maakte foto’s die een parallelle weergave zijn van het werk van Cézanne. Aan de hand van verschillende thema’s (o.a. het stilleven, de bomen, de berg Sainte Victoire) en landschapselementen wordt een verbinding gelegd tussen de (natuurlijke) omgeving en het werk van Cézanne. Het ging Leering daarbij in de eerste plaats om het kijken en het vergelijken. De foto’s werden vervolgens vergeleken met reproducties van werken van Cézanne die ongeveer een eeuw eerder waren geschilderd. In deze vergelijking ligt het accent op de structurele elementen van de compositie. Het gaat erom inzicht te verkrijgen in de motieven die Cézanne tot zijn landschappen inspireerden.

Jean Leering en Jan van Toorn

Uit deze bewondering ontstond een boek waaraan tot kort voor het overlijden van Jean Leering in 2005 intensief samen is gewerkt met de ontwerper, vriend en geestverwant Jan van Toorn. De visuele studie werd omgezet intensief kijkboek, dat een in de Nederlandse kunstgeschiedenis bijzondere positie inneemt . De bedoeling van beide auteurs is niet alleen om een meer zintuiglijke benadering van de beeldende kunst te demonstreren, maar ook om een breder publiek te bereiken dan alleen de kenners van en geïnteresseerden in het werk van Cézanne. Na het overlijden van Jean Leering heeft zijn vrouw Wies van Moorsel dit bijzondere project samen met Jan van Toorn voltooid.


(uitnodigingskaarten Jan van Toorn voor het Van Abbemuseum)

Naast een visuele presentatie van het boek, toont de tentoonstelling voorbeelden van de museale samenwerking tussen Jean Leering en Jan van Toorn, in het bijzonder tijdens de periode van 1964 tot 1973 toen Leering directeur was van het Van Abbemuseum en Jan van Toorn als grafisch ontwerper aan het museum was verbonden. Voor beiden was de relatie tussen kunst en werkelijkheid van groot belang. In een interview in oktober 1968 formuleerde Leering het als volgt: ‘Ik kies voor die kunstenaars die naar mijn gevoel de grootst mogelijke aanleiding geven door wat zij kunnen laten zien aan werk, om dat creatieve zicht op de werkelijkheid te stimuleren en tot ontplooiing te brengen’.
Door een sterke combinatie van fotografie en typografie ontwierp Van Toorn in het oog springende affiches, catalogi en uitnodigingen waaruit vaak een geladen functionaliteit en een maatschappelijk engagement sprak. Zijn rol reikte echter verder: Leering vond in hem een ideale gesprekspartner voor een in het oog springende museale informatieverstrekking. De bezoeker zou immers aan de hand van de tentoonstellingen moeten worden geactiveerd.

(Affiches Jan van Toorn voor het Van Abbemuseum)

Boekpresentatie: 24-05-2009
Tijd: 15.00 uur
Lokatie: Bibliotheek

J. Leering, J. Van Toorn, Fotograferen met Cézanne. Landschappelijke elementen als motief. Formaat 20 x 26, 192 pp. (ill. kleur), € 27,50. Uitgeverij Thoth, 2009. Ontwerp Jan van Toorn.

donderdag, mei 07, 2009

Living Archive : Burgerdeugd, kunst- en gemeenschapszin

Living Archive :'Burgerdeugd, kunst- en gemeenschapszin' (04-04-2009 t/m 30-08-2009)

Op 30 januari 1933 legde burgemeester A. Verdijk in de Eindhovense gemeenteraad een plechtige verklaring af: een van de plaatselijke notabelen, de sigarenfabrikant H.J. van Abbe (1880-1940), had aangeboden om aan de stad een museum voor moderne schilderkunst te schenken. Het aanbod kwam erop neer dat Van Abbe de bouw van het museum financierde en voor de eerste jaren een bedrag ter beschikking stelde voor aankopen en exploitatie. ‘Tegenover dit spontane van zooveel burgerdeugd, kunst- en gemeenschapszin getuigend aanbod, past van deze zijde een even spontane daad’, meenden de leden van de gemeenteraad waarop werd besloten de grond waarop het nieuwe museum zou verrijzen kostenloos ter beschikking te stellen. Bovendien werd de naam van de schenker aan het nieuwe museum verbonden. Op 18 april 1936 opende het ‘Stedelijk Van Abbe Museum’ zijn deuren. Van Abbe had overigens in 1935 laten weten dat niet hij, maar de N.V. Karel I Sigarenfabriek als schenker moest worden aangemerkt.


De in Amsterdam geboren Henri van Abbe was opgeleid tot tabaksmakelaar. Zijn vader Jacob van Abbe bezat een diamantslijperij en met diens financiële steun zette hij in Amsterdam een kleine sigarenfabriek op. In 1908 verplaatste hij deze naar de regio Eindhoven. Van Abbe ging over tot de productie van een seriemerk en met de reclameslogan ‘er is maar een Karel I’ bouwde het merk van de Karel I Sigarenfabriek een solide reputatie op. Henri van Abbe verzamelde vanaf omstreeks 1920 vooral eigentijdse kunst, waarbij zijn smaak langzaam lijkt te zijn geëvolueerd van regionale schilders naar in de jaren dertig zeer gevierde kunstenaars als Jan Sluijters en Kees van Dongen. Deze kregen ook opdracht tot het maken van familieportretten. Van Abbe’s voorliefde voor figuratieve schilderkunst, variërend van expressionistisch tot magisch-realistisch, vormde een afspiegeling van hetgeen in die jaren als modern werd beschouwd. De eerste schilderijen bestemd voor de museumcollectie werden met het geschonken geld gekocht uit Van Abbe’s privé-verzameling. Het betrof 26 schilderijen waaronder het Liggend naakt (1931) van Sluijters.

Living Archive : 'Civilian virtue, artistic sense and community spirit'

Living Archive :'Civilian virtue,artistic sense and community spirit' (04-04-2009 t/m 30-08-2009)

On 30 January 1933, Mayor A. Verdijk made a solemn declaration before the Eindhoven council. One of the local dignitaries, cigar manufacturer H.J. van Abbe (1880-1940), had offered to donate a museum of modern art to the city. Under the terms of the offer, Van Abbe would finance the construction of the museum as well as donate a certain amount of money for acquisitions and operation costs during the first few years of the museum’s existence. ‘In appreciation of such a spontaneous offer that speaks of so much civilian virtue, artistic sense and community spirit, a similarly spontaneous gesture is more than appropriate’, was the opinion of the council members. Therefore, the council decided they would contribute the land on which the museum was to be built free of charge. In addition, the name of the donor would be linked to this new museum. So on 18 April 1936, the ‘Stedelijk Van Abbe Museum’ opened its doors. Though Van Abbe had declared in 1935 that the N.V. Karel I cigar factory should officially be marked as the benefactor.

Amsterdam-born Henri van Abbe was trained as a tobacco agent. His father, Jacob van Abbe, owned a diamond-cutting establishment and with his financial support, Henri van Abbe set up a small cigar factory in Amsterdam. In 1908, he moved his factory to the Eindhoven region. Van Abbe then switched to the production of a serial brand with the slogan ‘there is only one Karel I’, which built a solid reputation for the brand of the Karel I cigar factory.

Since the 1920s, Henri van Abbe collected mainly contemporary art and as time went on, his taste evolved. He went from collecting art by regional painters to that of highly acclaimed artists from the 1930s such as Jan Sluijters and Kees van Dongen, who were also commissioned to paint family portraits. Van Abbe’s fondness of figurative paintings, varying from expressionist to magic-realist, was a reflection of what was considered modern at the time.
The first paintings that were to be part of the museum’s collection were bought from Van Abbe’s private collection using his monetary donations from the factory. The acquisition comprised 26 paintings, including Reclining Nude (1931) by Sluijters.

woensdag, april 08, 2009

Bibliotheektentoonstelling Paul Heimbach (translation)

Paul Heimbach (24-03-2009 t/m 15-05-2009)

Buchpräsentation und Vernissage :
22.03.09 – 15:00–17:00 Uhr

Eine neue Ausstellung mit Arbeiten des deutschen Künstlers Paul Heimbach wird am Sonntag, den 22. März 2009 um 15 Uhr in der Bibliothek des Van Abbemuseums eröffnet.
In diesem Rahmen wird auch sein neuer Katalog Werkverzeichnis der Bücher und Auflagenobjekte präsentiert. Der deutsche
Künstler Paul Heimbach (geboren 1946 in Euskirchen, lebt und arbeitet in Köln), stellt fragile Künstlerbücher und subtile Arbeiten auf Papier her, in denen er sich mit Serialität
befasst. Strenge Regeln liegen Serien von Strukturen mit mannigfaltigen Ordnungsmöglichkeiten zugrunde.


Heimbachs frühe Werke aus den 60-er Jahren sind Experimente, die auf der skizzenhaften und malerischen Darstellung von Gesetzmäßigkeiten beruhen. Für seine Tuschebilder (1968) führte er beispielsweise Experimente mit auf Wasser
schwimmender Tusche durch, und die 1967/68 entstandenen Filzstiftzeichnungen erinnern an die surrealistische “écriture automatique“. Trotz dieser scheinbaren Freiheit, ist die instrumentierte Zufälligkeit bereits ein maßgebliches Element seines Frühwerks.

Allmählich verändert sich Heimbachs Oeuvre hin zu einer ausdifferenzierteren Darstellung. Basierend auf Serien von Binärzahlen, kombiniert er horizontale und vertikale farbige Linien.

Durch die Fülle an Möglichkeiten, die sich daraus ergeben, entstehen abstrakte Formen als magische, aus Zahlen-informationen konstruierte Quadrate. Farbfolgen und Farbskalen auf Transparentpapier werden zu Schichtsystemen mit geringen Nuancierungen, so wie in Countdown (2008), worin er 720 Permutationen einer Farbskala festlegt.

(foto's : Peter Cox)

Die enzyklopädische Ganzheit, die Heimbach in seinen Serien zu erreichen sucht, macht den Reiz seiner Arbeit aus. Seine Bücher und Arbeiten auf Papier, in denen alle möglichen Kombinationen der einzelnen Elemente zur Perfektion ausgearbeitet sind, sind konzeptionelle und visuelle Meisterwerke.

In der Serie Nach Daten (seit 2005), werden Daten, die in Bezug zu einzelnen Personen stehen, mittels eines rechnerischen Konzepts in ein visuelles Bild umgewandelt, das aus 200 dünnen horizontalen Linien besteht. In dieser Serie
beschränkt Heimbach sich auf die Geburts- und Sterbedaten von Künstlern, Komponisten und Literaten, wobei er diese beiden Fakten jeweils in farbkodierte Linien umsetzt. Die Ergebnisse ehren auf würdevolle Weise die ereignisreichen Lebenswege der ausgewählten Persönlichkeiten. Trotz des Gebrauchs dieser eher “unpersönlichen“ und harten Fakten als Ausgangspunkt,
veranschaulichen sie dennoch die Ungewissheit des logischen Prinzips. Besonders in jenen Fällen, in denen das Foto der portraitierten Person mit dem Farbmuster kombiniert wurde, zeigt sich, dass sogar “trockene“ logische Prinzipien eine
subjektive und metaphorische Bedeutung entwickeln können.

Der Tageskalender (1992) zeichnet jede Minute des Tages auf. Dadurch versucht Heimbach ein Verzeichnis der Vergänglichkeit von Zeit zu erschaffen, in dem jeder beliebige Tag sich in die Struktur jedes anderen Tages einfügen lässt. Und vielleicht teilt er auch die menschliche Existenz in
Vergangenheit und Gegenwart auf, aber das ist ein Schluss, den er seinen Betrachtern überlässt, denn sie sind es, die sein Werk vervollständigen.

Der Betrachter wird immer eine Lösung ersinnen, die zwischen der dargebotenen Form und dem Inhalt liegt, woraus sich, bewußt oder unbewußt,ein konzeptzionelles Verständnis zwischen Werk und Betrachter entwickelt.

Heimbachs neuer Katalog, Werkverzeichnis der Bücher und Auflagenobjekte (2009) bezieht sich auf eine Äußerung des Konzeptkünstlers Sol LeWitt: „The idea becomes a machine that makes the art“. LeWitt betrachtete das Konzept/ die Idee
als einen runden Kreativ-Prozess und sah das getrennt von ihrer Ausführung. Gleichermaßen bestimmt das Konzept in Heimbachs Arbeit seine äussere Erscheinungsform und wird nach einem feststehenden System ausgeführt. Die bloße Beschäftigung mit den formalen und rationalen Assoziationen seiner Vorgehensweise wird Heimbachs Werk nicht gerecht. Die emotionalen Werte und seine imaginäre Betrachtungsweise
sind schließlich unleugbare und entscheidende Facetten seiner Arbeit.

Kuratorin :
Diana Franssen, Van Abbemuseum

Kooperations-Partner :
Diese Ausstellung wurde in Zusammenarbeit mit
Susanne Padberg, Galerie Druck & Buch Tübingen realisiert



dinsdag, januari 06, 2009

BIBLIOTHEEKTENTOONSTELLING : PAUL HEIMBACH

Paul Heimbach (24-03-2009 t/m 15-05-2009)

De Duitse kunstenaar Paul Heimbach (Euskirchen 1946) vervaardigt fragiele kunstenaarsboeken en ingetogen werken op papier waarin hij het seriële onderzoekt. Stringente regels als uitgangspunt leveren seriële structuren met een groot scala aan mogelijke permutaties op. Zo worden op basis van getallenstelsels van binaire nummers horizontale en verticale kleurbanen verbonden. Sequenties en kleurenspectra op transparant papier worden gelaagde systemen met kleine nuances als verschil. Geboorte- en sterftedata worden tot een abstract lijnenspel typerend voor de geportretteerde.


De encyclopedische volledigheid die Heimbach in zijn series nastreeft vormt de aantrekkingskracht in zijn werk. Het tot in de perfectie verwerken van alle combinatiemogelijkheden van de enkele elementen maakt zijn boeken en grafiek tot conceptuele en visuele meesterwerken.

(foto's: Peter Cox)

BIBLIOTHEEKTENTOONSTELLING : BURGI KÜHNEMANN

Burgi Kühnemann(20-01-2009 t/m 13-03-2009)

De Duitse kunstenares Burgi Kühnemann (1935 Mayen/Eifel (D)) gebruikt het boek als een ironisch wapen tegen de burgerlijke waarden.
Antiquarisch gevonden boeken worden geselecteerd op de thematiek van de afbeeldingen, mooie meisjes, machtige mannen en trouwe honden. Kühnemann vervreemdt deze afbeeldingen door ze van geschilderd commentaar te voorzien. Zij persifleert daarmee het “leitmotiv” van de afbeelding zodanig dat verborgen achtergronden vilein worden onthuld. Slagvaardig en helder ontleedt zij bestaande opvattingen.


Burgi Kühnemann werkt met thema’s die zij analyseert, differentieert en herdefinieert. Sinds 1983 maakt zij boekprojecten met als titel Buch-Akte naar aanleiding van foto’s uit de Duitse “Freikörper”-cultuur, Burgis Heine geïnspireerd op de Duitse schrijver Heinrich Heine en Deutsch gut ? waarin Nazi-kitsch en het verlangen naar het “gutbürgerliche” van de doorsnee Duitser worden geparodieerd. Achter de mooie en perfecte wereld loert bij Kühnemann altijd de grauwe, inperfecte werkelijkheid. Haar boeken zijn vermakelijk, boosaardig en soeverein in hun offensief. Sinds de dood van haar ouders in 1996 zijn familieherinneringen en -documenten alsmede het dagelijks leven en de kindertijd uit de periode 1930-1960 onderwerpen.

Gevonden fotografie vertaald naar de schilderkunst

Kühnemann gebruikt voor haar werken bestaande foto’s die zij vertaalt naar de schilderkunst. Zonder de afbeelding te manipuleren worden deze nageschilderd. Zo bestaat het werk Glück uit negen kleine schilderijtjes die zijn gebaseerd op kiekjes, waarin het private mini-universum van de Duitse gewone man is weergegeven. Een portret van het schattige schoothondje zoals de “Schnauzer” die in vele huishoudens voorkomt, kameraden op het voetbalveld, de eerste schooldag met twee meisjes gekleed in hun “zondagse” pakjes, de jonge vrouw met haar verloofde in het uniform van de Wehrmacht. En de jonge bakker die ons een reusachtig brood toont waarvoor hij een glimmende bokaal heeft gewonnen. Deze negen afbeeldingen vormen een potpouri van gemoedelijkheid; Burgi Kühnemann laat de negen afbeeldingen verder voor zich spreken.


Duitse auto’s en honden

Voor Mein heilix Blechie, deutsche Fahrzeuge in alfabetischer Reihenfolge – met fiere combinaties van mens en auto - gebruikt Kühnemann het glossy platenboek over de ikonen van de St. Demetrius-kathedraal. De beschilderde motieven zijn gerangschikt op alfabetische volgorde en staan op een zodanige manier in interactie met de achtergrond van de ikonen dat deze tot één afbeelding versmelten. Tegenstrijdige waardensystemen kruisen elkaar: heilige koe versus religie; een combinatie waarbinnen natuurlijk de Volkswagen de kroon spant.
Een groot aantal boeken van Kühnemann wordt bevolkt door honden, variërend van aandoendlijke schoothondjes tot bijtgrage waakhonden. In Mann & Hund worden diverse hondeneigenaren geportretteerd. Uitgaande van een werkboek voor traditionele borduurpatronen is bij iedere fraai gestyleerde letter een historische of mediagenieke man en zijn trouwe gezel afgebeeld. Het thema “man en hond” is een traditioneel Duits thema dat al sinds de jaren dertig bestaat maar tijdens de naziperiode werd gebruikt als onderdeel van de “image-building” van Hitler met zijn Blondi. De mens en zijn beste vriend werd in die tijd tot een hoofdmotief van de nationaalsocialistische propaganda en metafoor voor bevel en gehoorzaamheid. Voor de 73-jarige Kühnemann is Hitler geen taboe, maar eerder een fenomeen dat behoort tot de Duitse identiteit c.q. haar identiteit, zoals “Ferien, Freizeit und Urlaub”, “Essen und Trinken”, “das Auto” of een bord bij het tuinhek met het opschrift “Vorsicht Hund”. Een identiteit die wat Kühnemann betreft moet worden ondervraagt op een spottende wijze, zonder kwetsend te worden.

donderdag, november 20, 2008

WIM CROUWEL 80 (TRANSLATION)

Library exhibition : Wim Crouwel 80 (18-11-2008 t/m 09-01-2009

To celebrate Wim Crouwel’s 80th birthday, the Van Abbemuseum and the Stedelijk Museum
Amsterdam are looking back on the period during which, in his capacity as graphic
designer, he designed catalogues, posters, invitations and the letterhead for both museums. In 1956, the then director of the Van Abbemuseum Edy de Wilde gave Crouwel an initial commission that resulted in a successful partnership that was continued at the Stedelijk Museum in 1964. Crouwel's designs became legendary and remain a source of inspiration for young designers to this day.

As an ode to graphic designer, museum director and professor Wim Crouwel, the organisers have put togetheran intimate exhibition with posters and catalogues from the early years of his oeuvre. In addition to this printed matter, the exhibition also comprises a selection of correspondence and work plans, offering a glimpse behind the scenes of museum practices in the 1950s and 60s.

(Design : Lex Reitsma)

Wim Crouwel’s career

Wim Crouwel (Groningen, 1928) studied at the Minerva Academy in Groningen between 1947 and 1949. He then went to Amsterdam, where he became a student under Charles Jongejans at the Instituut voor Kunstnijverheidsonderwijs until 1952. His first job was with a company that designed and built exhibitions. He started his own firm in 1954.

1955–1956 : Liga Nieuw Beelden

When the Liga Nieuw Beelden was established in 1954, Crouwel was one of the people who signed the founding manifesto. A key task for the Liga advocated in this manifesto was the organisation of 'demonstrative exhibitions': “demonstrative exhibition is a joint work by architects, non-affiliated artists and designers that illustrates the ideas that are prevalent in our society.” The Liga’s second task was to stage discussions between urban planners, architects, artists and designers […] “and everyone who takes responsibility for the spiritual and physical shape of tomorrow’s world.” In 1956, he started working with interior architect Kho Liang Ie, carrying out assignments for the furniture industry and the graphics sector.

1956–1971 : Van Abbemuseum and Stedelijk Museum Amsterdam

In the 1950s, the Van Abbemuseum professionalised under the directorship of Edy de Wilde, who became one of Crouwel's regular patrons, asking him to design the museum’s posters, catalogues and letterhead. This partnership continued after De Wilde transferred to the Stedelijk Museum in Amsterdam in 1963, and Crouwel was also commissioned to make the designs for the Stedelijk Museum and Museum Fodor. The virtual carte blanche he was given allowed him to complete his first high-profile experiments with letter shapes. Examples are the catalogues and posters for the Léger (1957), Hiroshima (1957), Bazaine (1958), Lurçat (1959), Fernhout (1963),
Michaux (1964), Vormgevers (1968), Oldenburg (1970) and Luchtkunst (1971) exhibitions.

1963 : Total Design

In 1958, Crouwel’s design for the Benelux pavilion at the Brussels World Fair received the Leopold II award. In 1963, Wim Crouwel was one of the founders of Total Design, the first agency in the Netherlands that was active in design in the broadest sense of the term. In an early statement they described their objective as follows: “Our work is determined for the most part by working with text and image, object and space. Drawing signs and letters. Forming word images. Processing texts typographically. Making numbers understandable. Designing signposts. Visualising processes. Depicting intentions. Developing spatial situations. Structuring visual materials. All this is intended to simplify human interaction, increasing the chances of communication.”

1963 : New Alphabet

In response to the technical limitations of the first computer-controlled typesetters from 1963, Crouwel designed his 'New Alphabet', a font with only horizontal and vertical lines. Lithographic printing firm De Jong devoted an issue of its 'Kwadraat-Bladen' series of magazines to this 'New Alphabet'. Crouwel did not design his alphabet for book typography specifically, but believed that people could get used to “new shapes of new alphabets and new forms of typography.”

1970 and onwards

He won international acclaim with his design for the Dutch pavilion at the World Fair in Osaka in 1970. In 1973, he became an endowed professor and in 1981 professor at Delft University of Technology. In 1981 he accepted the directorship of Museum Boijmans-Van Beuningen in Rotterdam, combining this job with a professorship in art and cultural sciences at Erasmus University in the same city.

WIM CROUWEL 80

Bibliotheektentoonstelling : Wim Crouwel 80 (18-11-2008 t/m 09-01-2009

Ter gelegenheid van de tachtigste verjaardag van Wim Crouwel blikt het Van Abbemuseum samen met het Stedelijk Museum te Amsterdam terug op de tijd dat hij als grafisch ontwerper de catalogi, affiches, uitnodigingen en briefpapier van beide musea ontwierp. Vanaf 1956 deed Van Abbe-directeur Edy de Wilde een beroep op hem en dat was het begin van een samenwerking die vanaf 1964 zou worden voortgezet in het Stedelijk Museum. Zijn ontwerpen werden legendarisch en zijn tot op heden een inspiratiebron voor jonge ontwerpers.


(ontwerp : Lex Reitsma)

Als ode aan de grafisch vormgever, museumdirecteur en hoogleraar Wim Crouwel vervaardigden de samenstellers een intieme tentoonstelling met affiches en catalogi uit de vroege periode van zijn oeuvre. Naast deze drukwerken brengt de tentoonstelling ook een selectie correspondentie en werkschema's en biedt daarmee een blik achter de schermen van de museale praktijk uit de jaren vijftig en zestig.

Wim Crouwel (Groningen 1928) studeerde aan de academie Minerva in Groningen van 1947 tot 1949. Daarna studeerde hij tot 1952 in Amsterdam aan het Instituut voor Kunstnijverheidsonderwijs onder leiding van Charles Jongejans.
Hij kreeg zijn eerste baan bij een bedrijf voor tentoonstellingsbouw en in 1954 begon hij zijn eigen praktijk.

Liga Nieuw Beelden

Toen in 1955 de Liga Nieuw Beelden werd opgericht was Crouwel een van de ondertekenaars van het oprichtingsmanifest. Als belangrijke taak voor de Liga werd daarin gepleit voor het organiseren van 'demonstratieve tentoonstellingen':
“Een demonstratieve tentoonstelling is een gemeenschappelijk werkstuk van architecten, vrije kunstenaars en ontwerpers, dat gestalte geeft aan ideeën, die in onze samenleving leven”. Een tweede taak bestond uit het voeren van gesprekken tussen stedenbouwers, architecten, kunstenaars en vormgevers […] “met allen die zich verantwoordelijk weten voor de geestelijk en materiële gestalte van de wereld van morgen.”
Vanaf 1956 begon hij een samenwerking met de interieurarchitect Kho Liang Ie en voerde opdrachten uit voor de meubelindustrie en de grafische sector.



Van Abbemuseum en Stedelijk Museum Amsterdam

Onder het directoraat van Edy de Wilde in de jaren vijftig professionaliseerde het Van Abbemuseum zich. De Wilde werd een van de vaste opdrachtgevers van Crouwel voor de vormgeving van de affiches, catalogi en het briefpapier van het museum. Na de overstap van De Wilde naar het Stedelijk Museum te Amsterdam continueerde deze samenwerking en werd Crouwel verantwoordelijk voor de ontwerpen van het Stedelijk Museum en Museum Fodor. Door de grote vrijheid die hem daarbij werd gelaten kon hij zijn eerste spraakmakende experimenten met lettervormen realiseren. Voorbeelden daarvan zijn de catalogi en affiches voor tentoonstellingen van Léger (1957), Hiroshima (1957), Bazaine (1958), Lurcat (1959), Fernhout (1963), Michaux (1964), Vormgevers (1968), Oldenburg (1970) en Luchtkunst (1971).

Total Design
In 1958 werd zijn ontwerp van het Benelux-paviljoen op de Wereldtentoonstelling te Brussel onderscheiden met de Leopold II-prijs.
Wim Crouwel was in 1963 één van de oprichters van Total Design, het eerste ontwerpbureau in Nederland dat zich bezighield met het ontwerp in de meest brede zin van het woord. In een vroeg statement omschrijven zij hun doelstelling: “Het omgaan met tekst en beeld, met objekt en ruimte bepaalt hoofdzakelijk ons werkterrein. Tekens en letters tekenen. Woordbeelden vormen. Teksten typografisch verwerken. Getallen begrijpbaar maken. Bewegwijzering ontwerpen. Processen visualiseren. Bedoelingen verbeelden. Ruimtelijke situaties ontwikkelen. Strukturen brengen in visueel materiaal. Dit alles om het verkeer tussen mensen te vereenvoudigen waardoor de kansen op kommunikatie toenemen.”

New Alphabet
Als reactie op de technische beperkingen van de eerste computergestuurde letterzetters uit 1963 ontwierp Crouwel zijn 'New Alphabet', letters met uitsluitend horizontale en verticale lijnen. Steendrukkerij De Jong wijdde een nummer in de reeks 'Kwadraat-Bladen' aan de 'New Alphabet'. Crouwel ontwierp zijn alfabet niet specifiek voor boektypografie, maar hij vond dat mensen best zouden kunnen wennen aan “nieuwe vormen van nieuwe alfabetten en aan nieuwe vormen van typografie”.

Grote internationale bekendheid verwierf hij voor zijn ontwerp van het Nederlands paviljoen op de Wereldtentoonstelling in 1970 te Osaka.
In 1973 werd hij bijzonder hoogleraar en vanaf 1981 hoogleraar aan de Technische Universiteit te Delft. In 1981 aanvaardde hij het directeursschap van Museum Boijmans-Van Beuningen te Rotterdam. Hij combineerde deze functie met een hoogleraarschap kunst- en cultuurwetenschappen aan de Erasmus Universiteit te Rotterdam.